TOT DE OCHTENDZON

het verhaal ‘Matthias’

Naomi Blindeman

 

Proloog

Het is grappig, alsof ik twee keer dezelfde foto voor me heb. Ken je die apparaatjes? Mijn moeder heeft er een. Op een klein kartonnetje staat twee keer dezelfde foto, heel klein. Het geheel is zeker niet groter dan vijf bij tien centimeter. Maar ik spreek uit herinnering, dus ik kan me vergissen. Het kartonnetje gaat in een soort verrekijker en als je erin kijkt, zie je de afbeelding driedimensionaal.

In de verte ligt de Eifeltoren, Big Ben kun je zo beklimmen, het naakt aanraken. Je bent alleen met de mensen op de foto. Jij kijkt naar het beeld en niemand die weet wat je ziet, weet wat je denkt. Het lijkt een andere werkelijkheid. De persoon op de bank naast je kan zeggen wat hij wil. Hij is minder aanwezig dan de vrouw in negligé, handen in haar zij, een voet op de sofa, die je voor je neus staat te negeren.

Alleen de twee foto’s die ik nu voor me heb, zijn wél net anders. Dezelfde personen kijken me vanaf allebei de foto’s aan, ze zien er hetzelfde uit, hebben dezelfde uitdrukking, dezelfde houding… alles, maar zo anders. Op de achterkant van een van de afdrukken staat Matthias Lucie zomer ‘88, met balpen, zo hard gedrukt dat de spiegelbeeldwoorden aan de voorkant in reliëf te lezen zijn.

Het meisje heeft goudblond haar, grote bruine ogen en een felle blik. Ze staat met haar rug naar de fotograaf en kijkt hem boos aan over haar schouder. Míj kijkt ze boos aan over haar schouder. Als ik het nog een keer doe, vergeeft ze me niet meer… De jongen heeft een zachte blik, hij kijkt naar iets bij zijn voeten, bijna beschaamd, alsof hij net op zijn donder heeft gekregen. Dit is een ruziescène tegen een achtergrond van nog kleurrijke bloemen, platgeslagen lang gras en een zakkende zon. Het had waarschijnlijk leuk moeten zijn, of gezellig. Het einde van een warme zomer.


Langzaam begint het donker te worden. Ik schenk een glas wijn in, mijn bureaulamp brandt en vier kaarsen staan verspreid door de studeerkamer. Hoewel het winter is, wil het maar niet echt koud worden en ik hou de kachel dus zo laag mogelijk. Ik ben alleen en zit achter mijn bureau met mijn koptelefoon op, de Exequien van Schütz galmen door mijn hoofd.Ik ben de broer van Matthias. Tenminste, de halfbroer. Zijn vader, mijn vader, de onze, was wat te veel voor mijn moeder. Ik kan me hem niet herinneren, maar ik heb mijn moeders hekel aan hem woordloos overgenomen.

Toen ik een jaar of tien was, kregen we de eerste enveloppe. Een oude, met een oud poststempel erop, we wisten zeker dat hij van papa was. Er zaten foto’s in van een baby, een geboortekaartje en een briefje aan mij dat ik nu een grote broer was. Het zei mij niets, ik heb het gelaten. Ook al kregen we daarna elk jaar een enveloppe. Hij was trots op zijn zoon.

Vijf foto’s dit jaar van mijn kleine broertje. Op die met het meisje bleven mijn ogen hangen. Ik heb alle foto’s met Matthias van de afgelopen jaren naast elkaar gelegd en nu heb ik er twee ontdekt die hetzelfde zijn. Ik weet ook niet wat ik ermee moet. Voorlopig kan ik er alleen naar kijken.

De foto waarop staat zomer ’88 is de laatste, die zat in de enveloppe van vandaag. Het is nu 22 december 1988. Ik kan me niet meer herinneren wanneer de eerste met het meisje is gekomen, hoeveel tijd ertussen de twee foto’s zou moeten zitten, maar het verschil in jaren is bijna niet te zien aan de twee modellen. Ik ben ouder geworden, ben bijna zevenentwintig, maar Matthias zou nu zestien moeten zijn. Kun je er zo uitzien als je zestien bent? Zo iel en breekbaar, zo in de hoek gezet, zo jong, onvolwassen? Ik weet het nu al niet meer. Blijkbaar wel.

De foto’s zijn sowieso opvallend omdat het de enige foto’s met een meisje zijn. Op alle andere staat Matthias met een jongen. Een lange gebruinde jongen met een lelijke kop dik zwart haar. Zijn haar staat alle kanten op, zijn kin lijkt wel weggeslagen en hij heeft kleine donkere ogen. Hij staat altijd net voor Matthias, zo dat het bijna niet te zien is, met een elleboogje ofzo.

Alle foto’s zijn raar, tenminste als je ze vergelijkt met de foto’s die mijn moeder maakte op vakantie of de foto’s die ik maak. Als je foto’s aan iemand wilt laten zien, zeker als je foto’s maakt óm iemand iets te laten zien, dan moet wat je wilt tonen er goed opstaan, vind ik. Deze foto’s zijn anders. De mensen zijn eigenlijk met iets anders bezig, het komt ze niet uit. Op een staat Matthias zelfs te plassen, hij kijkt de fotograaf met grote lichte ogen aan, gekwetst. Net dat moment dat juist niet vastgelegd hoeft te worden. Ze vragen om invulling, om een reden waarom ze wel genomen zijn, het verhaal rond het moment van de foto.

Dat meisje… ik weet niet precies wat er met haar is, maar het ís voelbaar. Alleen wat, wat is voelbaar? Mijn gedachten beginnen als vanzelf een verhaal te spinnen, een invulling te bedenken voor de vragen: wat is er gebeurd? Heeft mijn vader die foto’s genomen? Hoe kunnen die foto’s op elkaar lijken? En wie is dat meisje?

terug | inhoudsopgave | verder